Floor Borsboom

Literaire vertalingen

Lopende vertaling

Anguille (‘Aal’ of ‘Paling’), de 17-jarige tweelingdochter van Connaît-Tout, afkomstig uit Mutsamudu, de hoofdstad van Anjouan, een onafhankelijk eiland dat deel uitmaakt van de Comoren, is aan het verdrinken in de Indische Oceaan. Terwijl ze zich vastklampt aan een jerrycan laat ze haar korte leven aan haar geestesoog voorbij trekken, richt zich daarbij rechtstreeks tot de lezer en doet haar relaas.
         Ze vertelt over het leven, de inwoners en de geschiedenis van Mutsamudu, maar vooral over haar vader Connaît-Tout, een visser en onverbeterlijke kletsmajoor, haar tweelingzusje Crotale, die lanterfantend door het leven gaat en het populairste meisje van de klas is, dit in tegenstelling tot Anguille zelf, die altijd ijverig heeft gestudeerd, zich nooit iets van anderen heeft aangetrokken en altijd haar, naar eigen zeggen, anguilliforme of palingachtige weg is gegaan. De moeder is bij de geboorte van de tweeling overleden, en haar zus Tranquille heeft zich de eerste jaren over de meisjes ontfermd tot Connaît-Tout de kinderen heeft opgeëist. Ze wonen met zijn drieën in een krot met uitzicht over het kiezelstrand waar de prauwen van de vissers liggen afgemeerd.
         Gaandeweg spitst het verhaal zich toe op de laatste weken van Anguilles leven. Er heeft een rolwisseling plaatsgevonden tussen haar en haar zusje Crotale (‘Ratelslang’). ‘Aal’ issmoorverliefd op de knappe visser Vorace (‘Schrokop’), spijbelt van school en rookt en drinkt, terwijl haar zusje de jongens juist heeft afgezworen en zich op haar schoolwerk heeft gestort. Wanneer Anguille zwanger raakt, ontdekt ze dat haar Vorace een notoire rokkenjager is. Haar vader jaagt haar het huis uit en krijgt dan van Tranquille te horen dat de meisjes niet zijn dochters zijn. Dit is meer dan hij kan verdragen en hij verdwijnt op volle zee. Anguille besluit, zoals zo vele inwoners van Anjouan, ook in werkelijkheid, illegaal over te steken naar het enige Franse eiland van de Comoren, Mayotte, maar het gammele bootje met 84 opvarenden komt terecht in een storm en slaat om. Anguille verdrinkt.

‘Het verhaal is niet belangrijk voor me,’ zegt Zamir in een interview, ‘het gaat om de écriture’, de stijl. Anguille is een soort Sheherazade, die vertelt om te kunnen blijven leven, om ‘te vechten tegen de dood’. Daarom vertelt ze haar verhaal in één enkele zin, die pas op de laatste pagina eindigt met een uitroepteken.
         De toegepaste verteltechniek is die van de ‘stream of consciousness’. Anguille springt van de hak op de tak en vertelt ons met de overmoed en stelligheid van de jeugd hoe het leven precies in el-kaar zit. Ze zat in de eindexamenklas van het gymnasium en gebruikt veel ‘dure’ woorden, Latijnse of ouderwetse woorden en uitdrukkingen, soms verkeerd, wat een komisch effect heeft, en ook de literaire verwijzingen zijn niet van de lucht. De uitgeverij, Le Tripode, laat voorafgaand aan de roman dan ook niet toevallig weten dat ze ‘de lexicale, grammaticale en syntactische eigenaardigheden van de tekst heeft gerespecteerd’.
         De virtuoze stijl van deze roman, waarin vorm en inhoud door hun kronkelende gang in feite een mooi literair verbond aangaan, stelt de vertaler voor een aantal problemen. Dat begint al met de titel (‘Addertje onder het gras’?) en de namen van de hoofdpersoon (‘Aal’ of ‘Paling’?) en de andere romanfiguren, zoals Crotale (‘Ratelslang’?), Voilà (‘Jaja’?), Miraculé (‘Wonderbaarlijk genezen’?) en Rescapé (‘Overlevende’?), waarmee in de tekst vaak ook nog wordt gespeeld, want Anguille is een ware woordkunstenares! En wat te doen met de Latijnse uitdrukkingen zoals ad vitam aeternam, illico presto, ex abrupto? Met de hoogdravende flauwekul die ‘Weetal’ voortdurend uitslaat en die dikwijls op het onbegrijpelijke af is? En met Anguilles levensfilosofie die geheel en al draait om het paling/aal zijn, de stilte waarin de paling zich terugtrekt onder zijn ‘roche’? Kortom, meer dan genoeg uitdagingen, waarop deze vertaalster zich bij voorbaat verheugt!